Wanneer verleen je voorrang?

De algemene voorrangsregels gaan over bestuurders op kruispunten. Op een gelijkwaardig kruispunt verlenen bestuurders in beginsel voorrang aan bestuurders die van rechts komen. Borden, markeringen en specifieke uitzonderingen kunnen een andere regel aanwijzen.

Voorbeeld: je rijdt naar een gelijkwaardig kruispunt en van rechts nadert een auto. Dan verleen je die bestuurder voorrang. Kijk eerst of er borden of haaientanden zijn voordat je de situatie als gelijkwaardig beoordeelt.

Wanneer laat je verkeer voorgaan?

Bij afslaan moet je verkeer dat op dezelfde weg naast je, achter je of tegemoet rijdt voor laten gaan. Dat kan ook een voetganger zijn. Bij een bijzondere manoeuvre, zoals wegrijden of uit een uitrit rijden, moet je het overige verkeer voor laten gaan.

Voorbeeld: je slaat rechtsaf en een voetganger loopt rechtdoor op dezelfde weg. Je laat die voetganger voorgaan. De vraag is hier niet wie op een gelijkwaardig kruispunt van rechts komt, maar wie afslaat.

De vraag die helpt bij het examen

  1. Zie ik een kruispunt, een afslaande bestuurder of een bijzondere manoeuvre?
  2. Welke borden en markeringen gelden hier?
  3. Wie kruist mijn rijlijn, en welke regel hoort bij deze handeling?

Die volgorde voorkomt dat je automatisch “rechts gaat voor” toepast op iedere verkeerssituatie. Meer context staat in het overzicht over voorrang. Wil je de regel oefenen, ga dan naar de app.

Bron voor de verkeersregels

De gebruikte regels staan in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met name de artikelen 15, 18 en 54. Controleer bij twijfel altijd de actuele tekst van de wet.